geen voorschrift nodig voor alle pillen levitra holland

Interview met Leo Erken door Anton Staartjes in PF (Dutch)

0

tekst: Anton Staartjes

Leo Erken werkte jarenlang als fotojournalist in Oost-Europa. Hij maakte van dichtbij alle ontwikkelingen rond de Grote Omwentelingen mee. Terug in Nederland ging hij zich toeleggen op het vertellen van verhalen. Omdat hij dit beter in een reeks beelden kon doen, stapte hij eind jaren ’90 over op het maken van films. Uit zijn omvangrijke fotoarchief stelde hij zijn onlangs gepresenteerde fotoboek Uliza (Russisch voor straat) samen.

“Ik ben begonnen als ‘Oost-Europa deskundige’ vertelt Leo Erken (1964) over zijn start als fotograaf. In 1987 maakte hij als student aan de AKI al een uitgebreide reis naar Oost-Europa. Na zijn afstuderen in1988 ging hij als fotograaf voor een aantal Nederlandse dagbladen werken. Toen in 1989 de Grote Omwentelingen zich aandienden werd hij – omdat hij al een keer in het Oost-blok geweest was – tot ‘deskundige’ gebombardeerd. “Mijn enige deskundigheid was dat ik wist hoe ik een visum moest aanvragen; gewoon aardig tegen de man of vrouw achter het glas zijn” legt hij uit. “Verder wist ik hoe er te komen maar meer eigenlijk niet”. Leo Erken begon met het verslaan van de machtswisseling in Polen. Daarna kwamen de ‘Fluwelen Revolutie’ in Praag en de omwentelingen in Hongarije en Oost-Duitsland. Hij was overal bij. Er groeide een groep van schrijvende en fotograferende journalisten die met elkaar bevriend raakten en over de Balkan en Rusland uitzwermden. Zelf was hij maar kort in Slovenië en Kroatië. Het was Rusland waar hij meer dan tien jaar – soms maanden aaneen – werkte. Leo Erken: “Wat ik daar zocht? Nieuws natuurlijk; ik heb het beleg van het ‘Witte Huis’ en de opkomst en ondergang van Jeltsin van dichtbij meegemaakt. De belangstelling voor Rusland was in die periode enorm. Ik publiceerde in de diverse kranten en tijdschriften vaak meer dan honderd foto’s per maand. Toen de Tsjetsjeense oorlog uitbrak, stortte ik me daar meteen in. Ik kwam er echter al snel achter dat ik dat beter niet had kunnen doen. Weliswaar lag ik niet naast schietende soldaten maar was wel op plaatsen waar ik beter niet had kunnen komen. Het was moord, doodslag en heel veel ellende. Oorlogscorrespondent was niet voor mij weggelegd. Daar moet je niet alleen de instelling en mentaliteit voor hebben maar ook nog precies weten wat je wel en niet kan doen.

Na die periode richtte ik me niet meer zozeer op het nieuws zelf maar steeds vaker op de verhalen rondom het nieuws en ging ik nadenken hoe ik die verhalen zou moeten vertellen”.

Fotojournalist.

In de afgelopen jaren zag Leo Erken de fotografie ingrijpend veranderen: “De crisis waar de fotografie nu in verkeerd komt door het wegvallen van de gedrukte media. Dat is serieus want er is geen kans op dat ze nog terugkomen. De honoraria voor fotografie voor het internet zullen nooit hetzelfde zijn als wat er voor de gedrukte media werd betaald. Aan de andere kant was er voor gedrukte media en analoge fotografie ook veel meer nodig. Als ik er aan terugdenk hoe we destijds moesten produceren dan ging het om hoge kosten voor materiaal, het maken van heel veel prints en dure koeriers die de halve wereld overgingen. Een paar jaar geleden nog had ik per maand alleen al aan materiaal zo’n tweeduizend euro onkosten. Een fotograaf heeft tegenwoordig aan een camera en een laptopje vaak al genoeg. Dat prijsverschil moet je ook betrekken als het over de mogelijkheden van de fotografie gaat”.

Toch vindt Leo Erken dat het voor de fotografie een hele goede tijd is. Er worden contacten gelegd met landen waar nauwelijks nog contact mee is geweest. Studenten gaan nu naar China en Afrikaanse landen waar de vorige generaties zelden of niet kwamen. Leo Erken: “Fotografen zullen zich steeds meer tot auteur gaan ontwikkelen. Dat is een goede ontwikkeling die de mensen in het vak veel mogelijkheden gaat bieden. Dit optimisme ontleen ik aan mijn docentschap aan de Koninklijke Academie in Den Haag. Met namen aan de contacten met de studenten – en ook oud-studenten – die ik daar heb.

Ik kwam de academie in 2007 binnen als docent fotojournalistiek. Dat vak bestaat eigenlijk niet meer. De mensen die zich nog fotojournalist noemen maken film, portretten of ze hebben het alleen nog maar over vroeger. De kennis die ik vanuit mijn praktijk de academie binnen breng als researcher en verhalenverteller blijkt veel aftrek te vinden bij mensen die er heel andere dingen mee gaan doen. Zo blijft het levend: het maken van een interview, essay of het vertellen van een beeldverhaal bestaat nog steeds. Alleen worden er nu andere vormen voor gevonden”.

Documentaire.

Hoewel optimistisch over de mogelijkheden van de fotografie koos Leo Erken eind jaren ’90 toch voor het medium film. “Ik kwam er op uit dat ik mijn ideeën over het vertellen van verhalen het beste met film kon doen” vertelt hij hierover. Film is echter geen ‘bewegende fotografie’. Het is iets heel anders. “Het grote probleem met het maken van films is dat je plannen maakt voor projecten die pas over zo’n vijf jaar uitgevoerd kunnen worden. Voor mij betekent dat ik in de tien jaar dat ik films maak slechts twee grote projecten heb gedaan. Mijn eerste productie was in 2001 een documentaire over Eva Besnyö ‘De Kleurcollectie’. Naast de documentaire hebben we ook een tentoonstelling en een boek gemaakt. De documentaire werd goed ontvangen en is via het programma ‘Het Uur van de Wolf’ door de NPS uitgezonden. In 2005 maakte ik ‘Tulpengoud’, een film over de speculatie in de Nederlandse tulpenwereld. Daar zat ook weer een boek bij. Dat was dit keer echter geen fotoboek maar een ‘leesboek’. Die film is wel een paar keer uitgezonden maar scoorde toch minder goed dan de film over Eva Besnyö.

De rest van de tijd doe je wat kleine dingen, ik werkte mee aan projecten van anderen en maakte een groot aantal plannen voor zaken die er niet kwamen. Bijvoorbeeld die keer dat ik een scenario-subsidie kreeg en een heel scenario schreef. Helaas is het verder dan dat niet gekomen. Probleem is dat als zo’n scenario klaar is, er een enorm bedrag moet komen om er een film van te laten maken. In mijn geval gebeurde dat niet. Dat betekent dat er heel veel werk voor niets wordt gedaan. Dat lijkt absurd maar voor filmmakers is het de normaalste zaak van de wereld.

Voor fotografen ligt het anders. Fotografen kunnen doen wat ze willen. Ze werken meestal alleen of in een klein verband. Daarom kunnen ze de meest krankzinnige projecten op tafel leggen en die nog eens uitvoeren ook. Omdat het bij het maken van films om zeer grote bedragen gaat, moet een filmmaker een stuk voorzichtiger zijn”.

Fotoboek.

Het jarenlang werken in het Oostblok zorgde voor een enorm archief met beeldmateriaal. Bij Leo Erken was de ambitie om daar iets mee te gaan doen al heel lang aanwezig. Zo’n vijfentwintig jaar na de Grote Omwentelingen lijkt de tijd rijp om met een fotoboek het verhaal in al zijn facetten te vertellen. Een fotoboek is echter een lastig product. Leo Erken: “Boeken zijn voor ijdele mensen. Daar bedoel ik niet mee dat ik zelf niet ijdel ben maar dat je een boek niet voor jezelf moet maken. Als je een boek maakt moet je ook zorgen dat er een publiek voor is anders blijf je met je boeken zitten”.

“Ik maakte het boek samen Svea Gustavs. We begonnen met het maken van dummy’s met verschillende versies van het fotoboek. Met proef-presentaties op de Leipziger Buchmesse zochten we uit voor welke vorm de meeste belangstelling was. De reacties waren verschillend. Oudere Oost-Duitse mensen die door een dummy bladerden, bekeken drie pagina’s en gingen vervolgens verhalen vertellen over wat ze zelf hadden meegemaakt. Jonge mensen daarentegen keken met grote interesse het hele boek door en begonnen uitgebreid vragen te stellen over ‘hoe het was’.

Uit die reactie begrepen we dat die jonge mensen het publiek was dat we voor ons boek zochten. We gingen uit van een doelgroep die twee-talig is. De ouders zijn dan misschien Russisch maar de jongeren lezen Duits. Er is een Engelse versie van gemaakt omdat veel mensen in mijn omgeving Engels beter lezen dan Duits. De ‘echte’ versie is echter de Duits-Russische versie van het fotoboek. Die twee talen staan in het boek dus naast elkaar. Zo is het boek voor de doelgroep maximaal toegankelijk”.

Op basis van de ervaringen met de proefpresentaties kwam er een nieuwe, geheel zwart/witte versie. Uit gesprekken met studenten – jonge fotografen – bleek dat ze zwart/wit maar moeilijk konden lezen. Leo Erken: “Het verbaasde me overigens wel dat jonge fotografen geen zwart/wit meer kunnen lezen. Ze vinden het te ‘zwaar’ en stranden halverwege. Daar heb ik nooit zo over nagedacht want voor mij was zwart/wit logisch. De kranten waren zwart/wit, mijn opdrachtgevers waren zwart/wit en daarom werkte ik vrijwel uitsluitend in zwart/wit. Als ik kleur maakte was daar altijd een speciale reden voor.

Vanwege de reacties voelde ik me verplicht om voor het boek ook naar mijn kleurenfoto’s te kijken. Daar kwam weer uit voort dat we ook over de manier van drukken zijn gaan nadenken. Uliza is niet in de gebruikelijke ‘zwarte koek’ maar in een lichte, transparante toets gedrukt. Niet omdat dit een moderne opvatting zou zijn maar omdat ik afwilde van de ‘je moet kijken zoals ik dat wil’ dwang die een fotograaf een beschouwer kan opleggen. Ik weet dat mensen graag zelf in mijn foto’s willen rondkijken en daarom moet je er openheid in geven. Met de nieuwe digitale mogelijkheden kan dat ook. Het is scherper, helderder en je kan op ongestreken papier drukken en een zeer hoge druk-kwaliteit bieden”.

Economisch.

“Tijdens de productie moet je niet alleen op het inhoudelijke maar ook op talloze praktische en economische zaken letten. Het boek mag niet te duur zijn want dan verkoopt het niet. Daarom is het zo gemaakt dat het door een brievenbus past. Het lijkt futiel maar scheelt wel een enorm bedrag in porto-kosten. We hebben het boek op het laatste moment anderhalve centimeter korter gemaakt want dat scheelde drieduizend euro in de drukkosten. Voor ons een heel sterk argument.

Het boek is geheel in mijn eigen werkruimte in de Amsterdamse Jordaan tot stand gekomen. De vormgever en degene die op de drumscanner de scans voor het drukwerk maakt zitten in huis. Mijn archief staat op planken langs de muren en de voorraad boeken staan, op een paar dozen in Berlijn en Leipzig na, aan de voorkant. Zelf loop ik er maar wat rond. Zo zijn de lijnen kort en komen de ideeën snel en makkelijk op tafel. Zo’n aanpak werkt echter alleen maar als je er lang over kan doen. Dat is aan de ene kant heel commercieel maar aan de andere kant weer helemaal niet.

Er is ook geen subsidie voor. Ik heb het wel geprobeerd en hier en daar gepolst maar begreep al snel dat het lastig ging worden. Ik besloot daarom om het helemaal zonder subsidie te doen. In de afgelopen jaren heb ik een aantal maal een subsidie ontvangen en dat is voldoende. Ik vind dat ik me nu heel goed zonder subsidie kan bewijzen en dat gaat zeker lukken!

Uliza, Eastern Europe and the former Soviet Union 1987-2003

Leo Erken.

Uitgegeven door Weiw.

Te bestellen via nl12books.nl

 

 

Share:

Comments are closed.